Verslag Discussiecafé De Nieuwe Amsterdammer

 

Op zaterdag 11 april was er in Discussiecafé De Nieuwe Amsterdammer weer een stevige discussie waarin de centrale stelling luidde:

 

" Een bindend schooladvies is een goed middel om zwarte scholen tegen te gaan."

 

Benjamin leidt in en legt nog eens kort uit dat de gemeente Nijmegen een bindend schooladvies wil geven als ouders hun kind niet geplaatst kunnen krijgen op een van de scholen van hun voorkeur in hun eigen wijk of buiten hun eigen wijk. Doel is de vorming van steeds wittere en zwartere scholen tegen te gaan.

 

Tito vindt het interessant om eerst te analyseren waardoor nu precies witte en zwarte scholen ontstaan.

 

Yesu merkt op dat het op dit moment voor de overheid niet gemakkelijk is om de bevolking te spreiden. Mensen met hogere inkomens — nog steeds vaak autochtoon — zullen immers altijd trekken naar de wijken met hogere huren of huizenprijzen. De scholen in die wijken zullen dan hoe dan ook steeds witter worden. Er is dus wel een barrière, maar deze is niet bewust opgeworpen. Menging zal weer optreden als niet langer autochtonen in de hogere inkomens domineren.

 

Saad wijst op de onderwijsvrijheid die in Nederland geldt. Ouders mogen zelf kiezen naar wat voor een school (openbaar, protestants-christelijk, rooms-katholiek, bijzonder) hun kind gaat. Ook dat werkt de vorming van witte scholen in de hand.

 

Mansouri verwijst naar een artikel in de Volkskrant waarin gesproken wordt van een fusie van een witte en zwarte school. Ze vindt het een interessante manier om scholen te mengen zonder dat de keuzevrijheid van ouders in het geding komt.

 

Een andere kwestie die Tito opwerpt: waarom niet meer investeren in zwarte scholen? Waarom plaatst de overheid niet meer leraren op zwarte scholen die er meer werk van maken om zwakke leerlingen vooruit te helpen?

 

Yesu stelt dat er ook een ander probleem speelt: kinderen die het Nederlands nog niet voldoende machtig zijn, worden al wel heel vroeg onderworpen aan talige tests. Er wordt dan een achterstand geconstateerd die er helemaal niet hoeft te zijn. Bijkomend probleem is dat het Nederlands beleid op het punt van taalverwerving zwalkend is. Eerst moesten allochtone ouders alleen maar Nederlands tegen hun kinderen praten, maar nu is juist het advies om nog heel jong kinderen eerst de taal van hun ouders aan te leren voordat zij zich aan het Nederlands mogen wagen. Tegen die tijd krijgen deze jonge kinderen dan echter al tests voor hun kiezen. Dat zou anders kunnen.

 

Saad vindt dat daarnaast toch ook dat een grotere betrokkenheid van ouders gunstig is voor de ontwikkeling van het kind. Ze zouden naar vergaderingen moeten, zitting moeten nemen in oudercommissies, hun kind moeten helpen met huiswerk etc.

 

Robert merkt op dat als ouders zelf het Nederlands nog niet goed machtig zijn, het steeds moeilijker voor ze wordt om hun kinderen vooruit te helpen. Hij stelt dan ook voor dat de ouders zelf hulp moeten krijgen bij het helpen van kinderen. Hij denkt daarbij aan een soort mentoraat.

 

Hussein denkt dat de rol van de ouders niet anders dan heel beperkt kan zijn. De overheid draagt daarentegen voor 99% bij aan het ontstaan van zwakke, zwarte scholen. Door slechte economische ontwikkelingen blijven vooral allochtone ouders op een laag inkomen hangen, die dus allemaal terechtkomen in wijken met lage huren, waarin dan zwakke scholen ontstaan. Een deel van de oplossing: verbeter het inkomen van deze mensen.

 

Ook Tito ziet een belangrijk rol voor de overheid weggelegd. Deze moet talent zo goed mogelijk tot z’n recht laten komen. Als een school al van zichzelf goed functioneert en als de ouders goed bezig zijn, dan moet de overheid niet ingrijpen. Als de school het laat afweten en als ook de ouders het laten afweten, dan is het aan de overheid om handelend op te treden.

 

Jafar dringt aan op onderzoek. Wat is de rol van de nationale overheid? Wat kunnen ouders doen? Wat kunnen gemeentes doen? Afgezien daarvan steunt Jafar Hussein in de opvatting dat de overheid een belangrijke speler in het geheel is.

 

De rest van de discussie blijft deze tegenstelling overeind: er is een groep die denkt dat de overheid een cruciale rol speelt in het vooruithelpen van zwakke leerlingen op al dan niet zwarte scholen en een groep die daar geheel of gedeeltelijk anders over denkt. Overigens blijkt wel dat nagenoeg niemand de vorming van zwarte of witte scholen wil bestrijden door middel van actieve spreiding. De stelling zelf wordt dus vrijwel niet ondersteund. Het antwoord is kennelijk dat scholen ongeacht hun samenstelling het beste uit de kinderen moeten halen. De vraag hoe dat moet, blijkt dus echter minder gemakkelijk te beantwoorden.

 

Nasir vraagt tot slot wat wij als kleine groep kunnen doen. Het antwoord op deze vraag blijft onduidelijk. Mansouri merkt op dat elke stem hoe dan ook telt. Ook Yesu vindt dat je als ouder altijd je stem kunt laten horen, zodat je in elk geval op je eigen school invloed kunt uitoefenen.